Gedichten

Briljantjes van 12 september 2018

Briljantje, een programma over dichters, schrijvers, kunst en cultuur. W 10: september 2018; met gedichten van Anke Labrie, Donovan Spaanstra, Rik Meijers en de Poezie-machine van J.P.Guepin. Presentatie Gonny van Oudenallen, Techniek Maurits Guepin.

 


OPEN PODIUM 2016

Deze drie gedichten heb ik voorgedragen tijdens Open Podium 2016.
Geplaatst met toestemming van de organisatie van Open Podium.
Films: Jan ter Heide

“Factor 70”

“De Dood”

“Eerste wereldreis”

 


 

PAASGEDICHT
De warmste paasdagen sinds jaren (2011)Woonkamers voor balkons verruild
de boxen mee naar buiten
Bach in een battle met James Brown
of die kutmuziek niet zachter kanBarbecue op het plaatsje verderop
een paaslam laat verdachte geuren los
gekrijs, gerinkel, weer gekrijs
gewoon een ruzie of een 1-1-2Mickey en Minnie op hun kop
drogend na een dagje strand
hangen druipend voor zijn raamHij ziet met leedvermaak de files op tv
schenkt nog maar eens een borrel in
en pelt het laatste hardgekookte ei

© Anke Labrie

 


 

DECEMBERGEDICHTEN
December in New York 1992

Honderden lichtjes in de boom voor het hotel
welkom in de stad met elke dag zes moorden
volgens de statistieken van het afgelopen jaar
een vredig sprookje en het sneeuwt nog ook

Kleurige schaatsers op het ijs in Central Park
tussen de kale bomen en de grauwe stenen
tegen een achtergrond van wolkenkrabbers
doelloos reikend naar een wolkenloze hemel

Retrospective Matisse in Modern Art
rijen kleumend voor de toegang tot het zuiden
de vleugel met Madonna’s van het Metropolitan
ieder Christuskind is uit het goede hout gesneden

Op elke gladde stoep staat watch your step
de taxi zet ons af voor Empire State Building
als ik de lift instap denk ik ineens aan Icarus
het Vrijheidsbeeld blijkt kleiner dan ik dacht

© Anke Labrie

 


 

EEN EIGEN TUIN

trots zit hij naast zijn eigen tuin
voor het grauwe huizenblok

twintig stoeptegels heeft hij gelicht
de ruimte afgebakend met een hekje
vier molentjes draaien in ‘t rond
tussen narcissen en rode tulpen
twee felgekleurde tuinkabouters
staan vissend naast het vogelhuisje

en deze kerst een boom met kluit
hij weet al waar hij komt te staan
en hij versiert hem nu eens zelf
neemt hij zich heilig voor
dan nog een rendier met een slee
en langs het hekje knipperende lichtjes

rond zessen klinkt een schelle stem
langzaam klapt hij zijn stoeltje in
en sloft zuchtend naar binnen

© Anke Labrie

(geplaatst op www.pomgedichten.nl  16-12-2013)

 


 

zoals vogels altijd weer
in een dichte zwerm
uitwijken naar het zuiden

zoals kuddes altijd weer
tijdens de grote trek
het dorre land verlaten

zoals mensen altijd weer
in vermoeide massa’s
vluchten voor elkaar

zo probeer ik altijd weer
in mijn dooie eentje
te ontkomen aan mezelf

© anke labrie

 


 

DE OGENDICHT-RIVIER

de winter streng
het strooizout schaars

de smalle hoge dijk
op onbepaalde plekken
spiegelglad

doodstil zit ze achterin
haar voeten stevig
om de schooltas heen geklemd

pal onder haar
het diepe donkere water
van de ogendicht-rivier

bij elke bocht
knijpt ze haar knokkels wit

vandaag wordt het heelal
door Buschauffeur bestuurd

© anke labrie

ingezonden naar gedichtenforum de Contrabas 14-05-2011

 


 

MONUMENTJE

hij zakte zomaar in elkaar
liet al zijn wegwerptassen los

een restje wijn en blikjes bier
rollen rinkelend over straat

geschrokken deinzen mensen terug
geen mond-op-mondbeademing

een enkeling pakt zijn mobiel
iemand zet een blikje recht

de tram waarin ik zit trekt op

zolang ik hem kan zien
kijk ik nog even om

met zijn volle ruige baard
in winterjas van mottig bont
liggend voor een bloemenstal
met al die blikjes om hem heen
is het vanuit de verte net
een gigantisch knuffelbeest
alvast door iemand neergelegd

© anke labrie

 


 

NARCISSUS POETICUS

Een hagelsteen is blijven liggen
op de schouder voor haar
de witte korrel steekt
scherp af tegen de zwarte stof
waarin hij straks voorgoed verdwijnt

De zon, het wolkendek doorborend
bestraalt fel haar gebogen rug
als ze de aarde neer laat vallen

De terugtocht valt haar zwaar
de sporen van een kille winter
knarsen onder haar gelaarsde voeten

Wanneer ze afslaat, staat hij daar ineens
gewoon in bloei, de witte narcis
door hem altijd poëet genoemd

De laatste keer dat zij er eentje zagen
in Portugal, pas vorig jaar
declameerde hij nog uitgelaten
‘Wanneer de lente komt,
En als ik dan al dood ben…’

©Anke Labrie

(‘Wanneer de lente komt’ Pessoa, Fernando, Gedichten Vertaling August Willemsen. Amsterdam 1978)

 


 

STRAND

Traag kruipen ze die middag omhoog
over hun tengere rug, twee schaduwen.
Nog is het zand warm en breed het strand.

Hun kinderen spelen zoals kinderen spelen,
ze bouwen natuurlijk een zandkasteel
en graven een diepe gracht daaromheen.

Hij is de prins en zij de prinses. Het paard
slaat op hol, het slot gaat kapot. Ze geven
het echter niet op en bouwen een nieuw.

Nu nog veel mooier, met schelpen versierd.
Maar de vloed komt eraan. Het strand
wordt te smal en het zand wordt te zwaar.

Ze redden het niet alleen. Het wordt koud.
Geen hulp van het koninklijk paar, stram
en verstijfd. Het heeft zich te lang ingegraven.

© Anke Labrie

 


 

ODE AAN DE BIBLIOTHEEK

Bij de A van Arendsoog begon voor mij de bibliotheek
achterin bij boekhandel Sacré, een dorpje verderop
– alle boeken van de uitleen op mijn school had ik gelezen,
de kinderbijbel bij ons thuis kende ik uit mijn hoofd –

In wel twintig delen stond hij op de voorste plank,
de schrijver heette J. Nowee, geen W.G. van de Hulst.
Ik leerde dat je braaf kon zijn, juist door wel te vechten.

In elk geval moest je geen ezel hebben, maar een paard,
geen stralenkrans, geen doornenkroon en geen sandalen.
Een cowboyhoed, laarzen met sporen en twee revolvers.
Geen vriend die je verraden zou, wel een trouwe indiaan.

Jezus kon ik nu gelukkig wel een poosje laten schieten,
want de hemel kwam pas later. Als je maar in leven bleef,
net als Arendsoog, dan had je die voorlopig nog niet nodig.

Voor het eerst verboden boeken, in de échte bibliotheek.
R van realistisch stond voor Rot, zo vond mijn moeder.
Terug naar Oegstgeest moest linea recta teruggebracht,
bij De nacht der Girondijnen, greep zelfs mijn vader in.

Eenmaal aangeland in Amsterdam, las ik de avonden en
de hele nacht. Ik leende alles, wat me ooit verboden was.
De Russen, de Amerikanen en schrijvers uit de Oriënt.

Tussendoor las ik veel thrillers, ode aan mijn kinderjaren,
dikke pillen om te kunnen slapen. De held lost alles op.
Biografieën over kunstenaars. De dichters en de filosofen.
Komrij’s In liefde bloeyende, liet ik heel vaak verlengen.

Van jongs af aan, een toevluchtsoord, een dok, een haven,
de bibliotheek. Maar bovenal een rijke bron van avontuur,
een eiland van piraten, zoals Pessoa met zijn Ode van de Zee.

© anke labrie

(Opening Centrale OBA 7 – 7 – 7 )

 


 

EEN GOEDE ZET

Domme dominomus, zo gedomesticeerd
dat je brood én spelen wilde in je overmoed.
Een kruimeldief, dat vonden we wel goed,
maar met die spelen, daar ging het verkeerd.

Erasmus, een beroemde mus van het mensenras,
zei dat dieren die het minst op mensen lijken
het gelukkigst zijn. Dat zou ook nu weer blijken.
Even was je vergeten wat een geluksvogel je was.

Trouwens, waarom ben je niet in Rotterdam gebleven
en weer naar Leeuwarden gegaan, plaats van de moord?
Alleen omdat je daar geschiedenis hebt geschreven?

Wellicht heb je je leven toch niet voor niets gegeven,
een domino-effect: van deze moord heeft iedereen gehoord.
Een goede zet, net nu jouw familie probeert te overleven.

© anke labrie

(Gedicht in opdracht: Natuurmuseum Fryslân “De grote huismussententoonstelling”)

 


 

WATERSNOOD 1953

het water in de sloot was bijna zwart
het stroomde anders dan normaal
heel snel in kleine golfjes
het stond ook hoger
soms spatte het gewoon over de weg
ik bleef in de erker voor het raam staan
naar buiten mocht ik niet
het stormde veel te erg
en er liep niemand op de weg
ook de hond moest binnen blijven
het hele land stond onder water
hoorden we op de radio
mensen verdronken of ze zaten op het dak
ik kon niet zien of onze boot nog vast lag
de grote schuur die stond ervoor
de radio bleef aan de hele dag
en hij mocht van mama hard
er braken nog meer dijken door
de koningin was er naar toe gegaan
in een helikopter want de weg was weg
we hadden er die week een nieuwe baby bij
die zou wel blijven drijven in het rieten wiegje
die zou gered worden door een prinses
of door de koningin op kaplaarzen
want we waren veel aan het bidden
de zuster met de mooie ronde broche
waar een kleine ooievaar op stond
had haar een schone luier omgedaan
en lekkere warme kleertjes aangetrokken
ze lag zo lief te slapen en ze merkte niks
mama deed geen middagdutje
ze ging tekeer tegen de zuster
dat ze de stofzuiger moest laten staan
want straks stond alles blank beneden
onze kleren moest ze in gaan pakken
toen ik de zuster hielp op zolder
de grote koffer leeg te maken
zag ik over de weilanden
langzaam het water komen stromen
het was een mooi gezicht
ik mocht de onderbroeken tellen
voor ieder twee en ook twee hemden
de zuster zei dat mama bang was
en daarom had gescholden
ook op mij
ik was niet bang
papa was ook nooit bang
hij zwom zo naar de overkant van de rivier
als er een wedstrijd werd gehouden
en hij won altijd
mama kon niet zwemmen
ik al wel een beetje
bij de palen aan de kant
papa had het me geleerd
op de oude autoband bleef ik al drijven
ik kon ook al een stukje varen
alleen het sturen lukte niet
de vaarboom was te zwaar voor mij
als papa hielp dan ging het wel
zijn armen waren langer
met onze knechten en de buurman
was hij al heel vroeg naar de dijk gegaan
op een grote vrachtwagen met zand
uit de schuur namen ze schoppen mee
hij zou de dijk weer heel gaan maken

© anke labrie

 


 

KINDERTIJD JAREN VIJFTIG

Er waren feeën bij de buren op het erf
één in het roze, eentje in het geel
en nog een andere in lichtblauw.
Het konden ook prinsessen zijn.
Ze droegen lange jurken, heel doorschijnend
met vleugels aan de mouwen en met linten
soms zweefden ze dwars door de mist.
Het was nog vroeg, maar ik was wel wakker.
Nu kwam er nog een fee of een prinses
ook in een lange jurk, maar dan in ’t wit
en met een sleep, maar zonder vleugels.
De prins was helemaal in het zwart.
Bloemen had hij meegebracht
alleen maar witte, zonder kleur.
Hij droeg één handschoen
en hij had een rood gezicht.
Hij had geen kroon op wel een hoge hoed,
een zwarte of een grijze.
Woonden we nu maar dichterbij
die stomme mist en al die sloten.
Eerst zoende hij die in het wit
en gaf haar al de bloemen.
Toen zoende hij de andere feeën
maar zij kregen niks.
Ik kon geen glazen muiltje zien,
er was in elk geval geen koets.
De paarden stonden gewoon in de wei,
de mist was nog niet helemaal verdwenen.
Er kwam een glimmend zwarte auto aan
waarin de buurman is verdronken, daar
zijn ze allemaal toen ingegaan en mama zei
dit is geen sprookje, dit is een bruiloft.

© anke labrie

 


 

Hieronder een selectie uit : “Aan de oevers van de droom”
(Galerie/Uitgeverij De Roos van Tudor, Leeuwarden)

Dorp aan de IJssel, ochtendnevel
over de polder. Dromende koeien,
een doodstille reiger als wachter.

Stad aan de Amstel, baken van licht.
De zang van sirenes draagt ver.
Reigers dragen beelden aan van vroeger.

Afrika, wreed paradijs. Slapen op het
wiegelied van nachtzwarte klanken.
De grote moeder waakt.

India, verbloemde droom, gekleurd
door zonlicht. Ossen trekken gelaten
de ploeg in het spoor van de goden.

© anke labrie

 


 

Zo vaak
haar mond
voorbij
gezwegen

op weg
naar goud

in ivoren torens
gewoond

de koningskroon
voor zilverlingen
ingeruild

het bleek slechts
wisselgeld.

© anke labrie

 


 

Gekrompen landschap
van haar kinderjaren,
vertekend beeld
voor altijd opgeslagen.

Haar blik was ruim,
de wereld wijd
en grote mensen
wisten overal de weg.

© anke labrie

 


 

Het linnen laat de beelden los
in verf verspreid over het doek.
Losjes vanuit de pols laat zij hen
dansen op het ritme van de kleur.

Het vlak wordt nu verdeeld.
Zij heerst met straffe hand.
Vastgelegd in betekenissen
vluchten beelden in het koloriet.

Maar zij heeft ze goed doorgrond,
weldra zullen ze kleur bekennen.
Hoewel door lagen verf getemperd
keren ze op het linnen terug.

© anke labrie

 


 

Maan, verlicht kompas,
wassend in het donker
de naald zien trillen
in de albasten kom.

Niet langer verdwalen
in het haar vreemde land.

© anke labrie

 


 

Cirkels van kleur zwiepen over
het linnen. Een beeld, verstrikt
in de verf, rukt zich los.

Spielatten kraken, linnen buigt,
penselen dreigen te breken,
de ezel houdt nauwelijks stand.

Het beeld heeft geen weet van
een kader, raakt keihard
de rand van het doek,

kent niet de hand van de meester,
behoort nog aan niemand toe.
Blind is het in zijn woede.

Gehavend, ontdaan van de verf,
raakt het verward in een lijn.
Tijd om afstand te nemen.

© anke labrie

 


 

Aan de oevers van de droom
heeft zij haar huis gebouwd.
Een kelder voor de inmaak,
zoete herinneringen achter glas.

Een zolder waar de vruchten
rijpen, oogst van jaren.
De zon verwarmt het huis,
de maan verlicht het.

Zij slaapt goed op de aarden vloer,
ramen open. De deur blijft van
het slot. De godendrank staat klaar.
In elk vertrek voelt zij zich thuis.

© anke labrie